Het verhaal dat klopt… maar schuurt
De eiwittransitie is een onderwerp waar we het tegenwoordig voortdurend over hebben. Meer plantaardig, minder dierlijk, gezonder, duurzamer — op papier klopt het verhaal volledig. De richting is logisch, de argumenten zijn sterk en de noodzaak is duidelijk.
En toch… zodra het dichterbij komt, begint het ergens te schuren. Niet in de theorie, maar in de praktijk. Niet in beleid, maar op de werkvloer.
Afgelopen week had ik drie gesprekken die dat haarscherp zichtbaar maakten. Drie gesprekken die ieder een andere werkelijkheid lieten zien.
Het eerste gesprek was met medewerkers, tijdens een overleg over een nieuw voedingsbeleid in de ouderenzorg. Het duurde niet lang voordat een zin viel die ik inmiddels bijna letterlijk kan voorspellen: dat bewoners dit niet willen, dat je mensen op leeftijd dit toch niet meer kunt aandoen. Het werd uitgesproken met overtuiging, maar vooral met zorg. Want daar zat het onder: mensen willen het goed doen, willen beschermen, willen comfort bieden en iets vertrouwd laten in een fase van het leven waarin al zoveel verandert.
Een paar dagen later zat ik bij een overleg met een cliëntenraad, waar hetzelfde onderwerp werd besproken: gezonder eten, minder vlees, meer plantaardig. Een bewoner luisterde een tijd mee en mengde zich toen plotseling in het gesprek. Haar reactie was fel, zonder nuance en zonder omwegen. Ze gaf aan dat ze niet begreep waar we mee bezig waren, dat we mensen gewoon moesten laten, dat ze gewoon vlees wilde eten. En toen volgde die zin die even bleef hangen: we gaan toch dood, hou op met dat gezonde.
Dat moment kwam binnen, juist omdat het zo puur was. Hier zat geen beleid achter, geen theoretisch kader, maar een gevoel dat direct werd uitgesproken.
En toen was er nog een derde gesprek, slechts enkele dagen later. Dit keer zat ik met een groep bewoners aan tafel, zonder agenda, zonder beleidsdocumenten, gewoon een open gesprek. Tot mijn verrassing hoorde ik daar een heel ander geluid. Mensen gaven aan dat ze eigenlijk best meer groente zouden willen eten, maar dan wel echte groente. Herkenbaar, vers, niet verwerkt tot iets wat je nauwelijks nog als groente herkent.
Wat bewoners echt willen (en wat wij invullen)
Drie gesprekken, drie totaal verschillende perspectieven. En eerlijk gezegd bracht dat me even in verwarring. Want wat is het nu? Willen bewoners het niet, of juist wel?
Die verwarring is precies waar het interessant wordt. Want vaak denken we dat we het antwoord al kennen. We vullen het in, we beschermen, we vertalen — allemaal met de beste intenties. Maar ondertussen gebeurt er iets anders: we praten namens bewoners, zonder het altijd echt te toetsen.
Als je iets verder uitzoomt, zie je dat die weerstand helemaal geen nieuw fenomeen is. De afgelopen jaren hebben we een reeks aan veranderingen voorbij zien komen: allergenen, IDDSI, ondervoeding, gastvrijheid, duurzaamheid. Iedere keer zie je hetzelfde patroon terugkeren: eerst weerstand, daarna discussie, vervolgens gewenning en uiteindelijk normalisatie.
Het is geen transitie, maar een verschuiving
Misschien helpt het ook niet dat we het een ‘transitie’ noemen. Het woord suggereert iets groots en ingrijpends, terwijl het in de praktijk vaak gaat om een verschuiving.
We weten dat eiwitten essentieel zijn, zeker in de zorg, waar ze bijdragen aan herstel, spierbehoud en vitaliteit. De beweging is dus niet dat we minder eiwit moeten eten, maar dat we het anders verdelen: meer plantaardig en minder dierlijk.
Wat we in de praktijk zien, bevestigt dat beeld. In een recente meting bleek dat bewoners gemiddeld ongeveer twintig procent te weinig eiwit binnenkrijgen, wat wijst op stille ondervoeding. Tegelijkertijd lag het aandeel plantaardige eiwitten al rond de vierendertig procent. De stap naar veertig of zelfs vijftig procent blijkt daarmee veel kleiner dan gedacht en vaak te realiseren met relatief eenvoudige aanpassingen.
Het echte vraagstuk: professionaliteit en onzekerheid
De echte uitdaging ligt dan ook niet op het bord, maar in ons hoofd. De eiwittransitie raakt aan professionaliteit: aan wat het betekent om goed te zorgen.
In de zorg maken we dagelijks keuzes die verder gaan dan alleen wat iemand wil. We laten medicatie niet achterwege omdat iemand er geen zin in heeft, en we laten een kwetsbare bewoner ook niet zomaar naar buiten lopen als dat onveilig is. We begeleiden, beschermen en nemen verantwoordelijkheid. Voeding hoort daar net zo goed bij.
De weerstand die ontstaat, zit zelden bij bewoners zelf, maar eerder bij medewerkers die zich afvragen hoe ze dit moeten doen, of ze het wel kunnen en wat het betekent voor hun werk. Onder die vragen ligt onzekerheid, en precies daar ontstaat frictie.
Daar komt bij dat de boodschap vaak verkeerd wordt gebracht. Als we zeggen dat we minder vlees gaan geven, horen mensen dat er iets wordt afgepakt. Terwijl de essentie juist is dat we eten beter maken: lekkerder, gezonder en volwaardiger.
Klein beginnen, groot effect
Wat helpt, is om het niet groter te maken dan nodig. Niet alles tegelijk willen veranderen, maar klein beginnen. Eén gerecht, één moment, één verbetering, goed uitgevoerd.
De kans is groot dat we over een paar jaar niet eens meer spreken over de eiwittransitie. Dan is het simpelweg onderdeel van hoe we werken, net zoals eerdere veranderingen dat zijn geworden. En dan dient zich weer een nieuw thema aan dat vragen oproept en weerstand met zich meebrengt.
Misschien is dat wel de belangrijkste les. Niet hoe we de eiwittransitie voor elkaar krijgen, maar hoe wij omgaan met verandering. Want uiteindelijk gaat dit niet over eiwitten. Het gaat over hoe wij kijken, hoe wij werken en hoe wij zorgen. En als dat klopt, volgt de rest vanzelf.